Actie 22: de bestaande regelgeving omtrent de afstandsregels tot waterlopen strenger handhaven

Thema 2: Wateroverlast

De aangelanden van waterlopen – dat zijn de eigenaars van een stuk grond naast een waterloop – moeten doorgang verlenen aan waterbeheerders en hun materialen, zodat de waterlopen gemaaid en geruimd kunnen worden. De oeverzone moet minstens 5 meter breed zijn, maar als de waterbeheerder grotere machines nodig heeft, moeten die ook toegelaten worden.

Waterbeheerders mogen maaisel en onschadelijke ruimingsproducten uit de waterloop op de gronden van de aangelanden plaatsen. Ook daarvoor geldt een oeverstrook van 5 meter. In die strook mogen bovendien geen bovengrondse constructies komen, zoals een stal, een tuinhuis of een omheining, behalve als ze nodig zijn voor het beheer van de waterloop of voor werkzaamheden van algemeen belang.

Voor (publieke) grachten kunnen vergelijkbare bepalingen worden opgelegd als dat nuttig is voor het waterbeheer. Dat kan door een erfdienstbaarheid op te leggen die bepaalt dat waterbeheerders en hun materialen toegang moeten krijgen tot de gracht, en dat ze maaisel en andere ruimingsproducten naast de gracht mogen deponeren. De toegelaten zone wordt hier wel beperkt tot een strook van 3 meter. De erfdienstbaarheid geeft de grondeigenaar geen recht op een financiële compensatie.

Engagement

De betrokken waterbeheerders en gemeenten engageren zich om de reglementering omtrent afstandsregels tot waterlopen nauw op te volgen en te handhaven. Ze willen ervoor zorgen dat die zones vrijgehouden worden voor het wettelijk toegelaten gebruik, zowel in het buitengebied als in bebouwde zones.